De cirkel is rond

Slovenië was een mooi einde van de fietsreis. Na alle imposante bergformaties van de afgelopen maanden, zijn de grote bossen en licht bebouwde vlaktes waar we de eerste dagen door rijden een aangename afwisseling. Nog meer dan tijdens onze laatste dagen in Kroatië, doet alle bebouwing heel Oostenrijks of Tsjechisch aan. Onze beenspieren kunnen uitbollen: bij gebrek aan bergen, volgens we vooral vlaktes en riviervalleien.

Om niet te vroeg aan te komen op onze bestemming, doen we nog een laatste keer een toeristenattractie aan: de Pstojnska jama (grot van Postojna). Ettelijke kilometers gangen en hallen, van begin tot einde overdekt mot koperrode, groene, zwarte en felwitte stalactieten en stalagmieten, in alle denkbare formaties. Op onze voorlaatste fietsdag rijden we door de Soča-vallei, langs de rand van de Sloveense Alpen, waar de bergen zich weer boven ons beginnen te verheffen, De laatste dag rijden we Italië binnen. Drie maanden na ons vertrek in Griekenland zijn we terug in het land waar onze hele reis begon; de cirkel is rond.

Als afsluiter van de reis werken we twee weken bij Kathrin en Matteo, een koppel met twee kinderen en een forse moestuin. We helpen hen met allerhande karweien en klussen in de tuin. Op zich geen bijzonder boeiend werk, maar we bevinden ons in goed gezelschap en een mooie omgeving, en we hebben veel vrije tijd. Al bij al twee weken uitbollen na drie intensieve maanden.

En zo zijn we aan het einde van onze reis gekomen. Morgen fietsen we naar Udine, 50 km, waar we ’s avonds de eerste trein nemen, en overmorgen zijn we thuis. Tot ziens, Sicilië, Italië, Griekenland, Bulgarije, Macedonië, Albanië, Montenegro, Bosnië, Kroatië en Slovenië!

Advertenties

Kroatie (deel 2)

Na onze omweg door Bosnie komen we weer in Kroatie terecht. Eerste tussenstop: Plitvice Lakes National Park. Als ik het goed begrijp stroomt het water hier door calciumrijk karstgesteente, dat langzaamaan afgebroken wordt. Algen groeien in het water en laten wat calciumcarbonaat achter als stoffelijk overschot. Resultaat in wetenschappelijke termen: kalktuf. Resultaat in mensentaal: een valei gevuld met zowat 20 meren, verbonden door tientallen watervallen tot 25 m hoog, honderden steile beekjes en riviertjes, duizenden overstromende dammetjes en stroomversnellingen. Heel mooi, dat alleszins, maar het voldoet niet helemaal aan onze door veel enthousiaste medereizigers geschapen verwachtingen. Typisch natuurlijk: te hoog geschapen. We kamperen 20 km voorbij het nationaal park, op een gratis camping waar Boyen uit Macedonie ons lang geleden over vertelde. Bij aankomst is die verlaten, maar een half uur na ons arriveert er een sympathiek Zwitsers koppel dat per fiets op weg is naar Bali, Indonesie. Of all places!

Twee dagen later nog een nationaal park: Sjeverni Velebit. Bergen van 1600 m, vlak naast een met eilanden bezaaide kust gelegen; mooie uitzichten verzekerd! Behalve als je, zoals wij, bij het naderen van de toppen in de wolken terechtkomt. Uiteraard. Gelukkig is onze afdaling van een pas van duizend meter naar de zee ook prachtig. En wolkenvrij.

En dan veertig kilometer kustweg. Veertig kilometer lang een permanent, onafgebroken geraas van auto’s in beide richtingen. Zwitsers, Polen, Italianen, Duitsers,… en af en toe ook een paar Kroaten. We zien veel fietstrekkers, en hoorden ook in andere landen al van veel fietsers dat ze hier waren geweest. Ik weet niet hoe zij het allemaal volhouden, maar ik vind deze veertig kilometer vermoeiender dan de 900 m die we moeten stijgen om kort voor Rijeka weer in het binnenland terecht te komen. Ik denk dat ik een beetje begrijp hoe voortduren lawaai een marteltechniek kan zijn.

Maar goed. Hiervan verlost komen we in een heel ander Kroatie terecht: het relief is heuvelachtiger dan we het de afgelopen maanden gezien hebben, en bedekt met grote naaldbossen. Dorpjes en kerken zijn schattig en doen heel sterk aan Oostenrijk of Tsjechie denken. 50 km voor de grens met Slovenie breekt een rechterspaak van Lauren’s achterwiel, een die je niet kan vervangen zonder de tandwielen eraf te halen, en daarvoor hebben we het gerief niet bij. Het dichtstbijzijnde stadje dat misschien een fietsenmaker heeft, is pas over 80 km. Remmend in de afdalingen en zorgvuldig elke oneffenheid in de weg ontwijkend, fietsen we verder naar het laatste land op onze reis.

Kroatie (deel 1) en Bosnie (deel 2)

Deze post zou eigenlijk “Kroatie (deel 1-2) en Bosnie (deel 2-3) moeten heten: na amper 30 km fietsen in Kroatie, door het vlakbodemdal waar de Neretva-delta in ligt, komen we voor het eerst sinds ons vertrek in Griekenland twee maanden geleden uit op de zee, waar we alweer een douane moeten passeren. Bosnie heeft het bij een of andere onderhandeling gedaan gekregen dat ze 10 km kustlijn kregen van Kroatie, en daar moeten wij dus door. 10 km later zijn we terug in Kroatie, en rijden we het schiereiland Pelješac op.

Het is duidelijk dat de Kroatische eilanden eidenlijk een verderzetting van het vasteland zijn, waar toevallig een zee tussen terecht is gekomen: ze zijn heuvel- tot bergachtig en langwerpig, waarbij hun kammen ongeveer evenwijdig lopen met de kust van het vasteland. Pelješac is bijvoorbeeld 65 km lang, 8 km op zijn breedst en 960 m op zijn hoogst. Het is geen echt eiland, want hangt op zijn ene uiteinde nog net vast aan het land.

Het weer is stralend, waar we van profiteren door een hele dag op het strand te liggen, in een gezellige baai met glashelder water. Gebruind en verbrand fietsen we verder, over een weg die ons naar 400 m hoogte tilt, en daar uitzicht geeft over de beboste kustlijn, de felblauwe zee, een stuk of vijf andere eilanden en uitendelijk de horizon. Prachtig! Na de volledig lengte van het schiereiland te hebben gefietst, nemen we een veerboot naar Korčula, wat kleiner en lager dan Pelješac, maar wel een echt eiland.

Aan de andere kant hiervan nemen we weer een boot, naar Split, en nemen we voorlopig afscheid van de zee: we rijden terug naar het binnenland voor onze tweede grote etappe door Bosnie. We rijden door de Livanjsko polje, wat denk ik vertaalt naar “vlakte van Livno”. Een vlakte is het alleszins: ongeveer dezelfde afmetingen als Pelješać, maar als het ware geinverteerd wat relief betreft: zo plat als Vlaanderen en omsingeld door bergen die meer dan een kilometer boven de vlakte uittorenen. Een vreemd maar heel mooi landschap.

We zijn nog vlak bij de Kroatische grens, en deze vallei heeft in de jaren ’90 duidelijk geleden onder de oorlog. Zowat de helft van de huizen zitten vol kogelgaten, hebben ingestorte daken en geen ramen. Regelmatig zien we bordjes langs de weg die zeggen dat er nog landmijnen liggen. Hier en daar zijn volledig verlaten dorpjes. Het moet zijn dat iedereen uit de vallei verjaagd is door de Kroaten, en dat alle nu bewoonde huizen na de oorlog gebouwd zijn. Het maakt de hele oorlog weer veel realistischer en tastbaarder.

Voor vandaag waren we van plan te gaan raften op de Una. Helaas voorspelde het weerbericht gisteren 18°, 90% kans op regen en onweer. Niet bepaald weer waarbij je in een bootje tussen de watervallen wilt gaan worstelen. Het lijkt wel of de weergoden al onze pogingen om iets anders te doen dan fietsen afstraffen met slecht weer. Raften zal voor een andere keer zijn. Misschien wanneer we terug naar de Balkan komen om de Vikos-gorge te gaan bewonderen, nog iets dat het weer verpest heeft.

Nu gaan we terug naar Kroatie, voor deel 2 in dat land. Daarna rijden we nog door Slovenie, en op 21 juli komen we hopelijk aan in Tolmezzo (Italie) waar we nog een goeie twee weken gaan WWOOFen. Op 6 augustus is het gedaan met reizen, en nemen we in Udine de trein weer naar huis!

Bosnie en Herzegovina

Bosnie! Het eerste land op onze reis – afgezien van Italie – waar ik al eerder kwam (maar Lauren niet). De bergen zijn mooi, het weer is mooi. De wegen zijn soms wat druk naar onze goesting maar het is ze vergeven, want ze zijn ook heel mooi. Kortom, het leven is mooi.

We zijn de afgelopen weken al enorm verwend op vlak van spectaculaire landschappen, dus echt sprakeloos worden we niet meer gesteld. Ter afwisseling doen we dan maar wat aan cultuur: we bezoeken Sarajevo en Mostar, elk een dag. Beide steden hebben een gezellig Ottomaans historisch centrum, met smalle kasseien straatjes en plentjes, ingepalmd door cafe’s,  restaurants en toeristenwinkeltjes. In Sarajevo staat dat in contrast met grootse Austro-Hongaarse gebouwen,  genre Wenen. Mostar heeft de beroemde oude brug, twintig jaar geleden verwoest in de oorlog, maar nauwkeurig tot op de steen weer gereconstrueerd. In beide steden zijn de sporen van diezelfde oorlog nog heel aanwezig: gaten van kogels en bommen, leegstaande halfverwoeste gebouwen.

De 100 km lange weg tussen de twee steden omvat een van de beste afdalingen uit heel mijn leven: 10 km lang, 800 m dalen, continu tussen de 60 en 70 km/u rijden over een brede baan die langs de bergflank zigzagt, de ene na de andere bocht die maar net flauw genoeg is om scheefhangend aan deze snelheid te nemen. Ik voel me er een beetje een motard op.

In Sarajevo sliepen we heel banaal in een hostel, maar in Mostar gaan we, op aanraden van fietstrekkers die we in Montenegro tegenkwamen, eens kijken bij Abrašević, een soort jeugdclub/ontmoetingsplek. Daar ontmoeten we Diego: Fransman, al vijf jaar min of meer permanent op reis, en leeft van wat hij op straat verdient met zijn klarinet. Ongelooflijk om te zien met hoe weinig hij kan leven en gelukkig zijn: een slaapzak, een paar versleten kleren, een prehistorische fiets zonder versnellingen en uiteraard zijn klarinet. Hij kampeert al een paar weken/maanden op een braakliggend terrein naast Abrašević, midden in het centrum van Mostar, en geeft ons een tourtje door de stad. ’s Avonds installeren we ons op zijn veldje.

Na Sarajevo en Mostar fietsen we nog langs Kravice: een 25 m hoge en 100 m brede waterval, omgeven door een jungle-achtig bos, nog het best te omschrijven als een miniatuur-Niagara. Het hoort niet echt thuis in Bosnie, maar is wel heerlijk mooi en een leuke afwisseling. Dit achter ons gelaten, zetten we koers richting Kroatie. We hebben al veel verhalen gehoord over hoe het daar volloopt met toeristen, en hoe moeilijk het is om gratis kampeerplaats te vinden, maar ook dat het er heel mooi is. We houden ons hart vast terwijl we uitkijken naar deze nieuwe bestemming.

Montenegro

Onze week in Montenegro wordt gekenmerkt door gelijktijdig een gebrek en overvloed aan water. Een gebrek: aan grondwater. In alle landen waar we tot hiertoe kwamen, had elk gehucht een paar bronnen, waren er overal riviertjes en konden we met moeite 10 km fietsen zonder drinkbaar water langs de weg tegen te komen. Montenegro lijkt niets van dat alles te hebben. Kamperen langs een riviertje zodat we het zweet van ons af kunnen wassen voor we gaan slapen lukt niet. Overdag komen we wel af en toe wasbaar water tegen, maar we hebben het vaak te koud om daar gebruik van te maken door de overvloed: aan luchtwater. Na een week fantastisch weer in Albanie, zitten we vijf dagen voortdurend in buien en onweders. Tweemaal kunnen we pas om 13u uit onze tent komen omdat het tot dan voortdurend regent. We kunnen vijf avonden op rij niet koken op vuur omdat het hout te nat is, zodat we moeten terugvallen op snel-klaar-campingaz-maaltijden.

Al dat grijs weer maakt dat we niet zo goed van onze omgeving kunnen genieten. Laaghangende wolken die alles verbergen wat op een berg lijkt, helpen ook niet. Maar goed, we hebben nog het geluk dat we drie hoogtepunten in degelijke toestand kunnen aanschouwen: het Shkoder meer, de baai van Kotor en de canyon van de Piva. Na het paradijs dat Albanie is, maakt het wel allemaal minder indruk op ons dan het een paar weken geleden zou gedaan hebben.

In Kotor slagen we er ook in af te spreken met Stien, die toevallig net op hetzelfde moment als ons een tour Montenegro doet. We hebben maar anderhalf uur tijd om, de oude stad doorstruinend, elkaar up-to-date te brengen, maar het is heerlijk om nog eens echt contact met iemand van thuis te hebben. De World Cup houdt waarschijnlijk heel Belgie in de ban, en ook hier heeft elk cafe en restaurant minstens 1 TV waar voetbal wordt uitgezonden, ongeacht of het land geselecteerd is voor de Cup. Per toeval zien we zelfs de tweede helft van Belgie – Argentinie terwijl we schuilen in een pizzeria. Waar regen toch al niet goed voor is…

Albanese vriendelijkheid

De 40 km onverharde bergweg waar ik in de vorige post over schreef, hebben ons het ergste doen vrezen voor de rest van onze tocht door Albanie. Maar we hebben geluk (of we hadden toen gewoon brute pech): grote delen van onze weg zijn recent heraangelegd of hersteld. Vaak rijden we nog op slechte asfalt met veel putten die regelmatig volledig verdwijnt voor een paar honderd meter, maar slechts eenmaal moeten we het een paar kilometer lang zonder wegverharding stellen.

Ook hier, waar beschaving al wat meer is doorgedrongen, worden we dagelijks verbaasd door de meest betoverende en spectaculaire bergen vergezichten, valleien en kloven,… Nooit verpest door industrie of monocultuur, enkel aangevuld met kleinschalige manuele landbouw, vaak voor eigen gebruik. Na een paar dagen wordt het bija te vermoeiend om keer op keer verrast en enthousiast te zijn bij de aanblik van de zoveelste streling voor de ogen.

Waar we ons zo mogelijk nog meer over verbazen, is de Albanese bevolking. Iedereen zegt dag of toetert naar ons ter begroeting, maar dat was in andere landen ook al een beetje zo. Hier komen mensen een babbeltje doen als we ergens stilstaan of -zitten, en we worden regelmatig uitgenodigd om mee op cafe te komen zitten. De weg hoeven we nooit te vragen: locals vragen aan ons waar we naartoe gaan en geven dan spontaan een routebeschrijving. Water kunnen we meestal bijvullen aan bronnen, maar als we het toch eens aan mensen vragen, krijgen we soms een fles gekoeld water uit eigen voorraad: uit de frigo als ze thuis zijn, voorzien van een klomp ijs als ze zelf op pad zijn.

Het stuk Albanie waar zij door fietsen staat vol bergen en het grootste deel van de stukken die geschikt zijn om een tent op te zetten, lijkt iemand’s eigendom te zijn. Wanneer we ons ergens beginnen te installeren, daagt gewoonlijk na een half uur de eigenaar op, niet om ons weg te jagen maar om ons te leren kennen. Bij ons vertrek ’s morgens krijgen we een keer anderhalve liter verse melk, een andere keer een zak vol brood, kaas, tomaten, melk en cake, allemaal van eigen productie. Ook op straat worden we een keer tegengehouden door een oude vrouw die ons een zakje net geplukte kersen wilt geven.

Pauzeren we in de schaduw van een grote wild, worden we een uur lang vergezeld door de helft van het gehucht, waaronder iemand die in Noorwegen heeft gewerkt en Engels spreekt. We worden eens overvalleen door een onweer en lopen de eerste de beste tuin in, recht in de armen van een familie die het de normaalste zaak ter wereld vindt dat we een paar uur in hun living komen schuilen.

Al deze vriendelijkheid neemt ook merkwaardige vormen aan. Soms komt iemand ons een hand geven, om na 10 minuten stilte weg te gaan na nog een hand te geven. Een keer worden we aan ons kampvuur vergezeld door zowat alle jongens van het dorp, die vooral met elkaar praten maar wel prompt vertrekken wanneer we zeggen dat we gaan slapen. Het lijkt hier in de eerste plaats beleefd om aanwezig te zijn, een conversatie voeren komt op de tweede plaats.

Nog twee primeurs om af te sluiten: na meer dan vier maanden reizen en talloze ontmoetingen met Hollanders, Duitsers, Fransen en andere nationaliteiten, zijn we voor het eerst Belgen tegengekomen: een Antwerps koppel op de tandem. En we hebben voor het eerst betaald voor een overnachting, 2 euro per persoon maar liefst, op een campingetje waar de katten en kittens, kippen, eenden en kuikens gezellig vrij rondlopen. We denken eindelijk eens lang te kunnen slapen met onze tent in de schaduw van een hoop fruitbomen, maar worden andermaal om 7 u gewekt, met dank aan de keffer van de eigenaars.

eerste indruk van Albanie

We wisten al op voorhand dat Albanie het meest achteropgestelde land van onze reis zou worden, en dat wordt al snel na het oversteken van de grens bevestigd. Waar de Macedonische kant van het Ohrid meer bezaaid was met hotels, propere keienstranden en andere toeristenvoorzieningen, zien we in Albanie vooral boeren en boerinnen werken op hun veldje – met de hand uiteraard – tussen de typische zelfgebouwde conische hooibalen met een mast in het midden. Aan deze kant van het meer drijven er roeibootjes met vissers in en baar er gras is, staan waarschijnlijk een koe, een ezel of een paar schapen te grazen. De kustlijn ligt net als rivieren en wegbeddingen vol afval.

Iets waar we al uit allerhande hoeken voor werden gewaarschuwd, is de staat van de wegen. Tijdens onze eerste 80 km hebben we geluk en rijden we, afgezien van 10 km wegenwerken, over recente putloze asfalt. Maar dan slaat het noodlot toe; midden in eenlange bergop, met nog 500m stijgen te gaan, verdzijnt de asfalt en rijden we plots op een grintweg. 40 km lang hobbelen we meer dan we fietsen, 100% gefocust op de 10 m weg voor ons, laverend tussen de grote stenen en slipperige grintpassages, blij als een kind wanneer we sneller dan 10 km/h gaan. Moordend voor de kuiten in de bergop, dito voor de armen en kont in de bergaf.

Deze marteling is de prijs de we betalen voor de adembenemende landschappen die ons omringen. Uitgestrekte bergflanken, nu eens vol bossen, dan weer bedekt met enkel grassen en wat struikjes; honderden meters hoge muren van steen; bescheiden vlakbodem- en diepe V-dalen; wakko rotsformaties vlakbij; een zeldzame bergtop waar nog sneeuw op ligt. wat niet bedekt woordt door iets groen, heeft meestal een roodbruine terracottakleur die je in de woestijnen van Iran zou verwachten, afgewisseld met het blauwgroen van verroest koper, fel oranje waar een ondergaande zon jaloers op wordt, een soort rood-lila waar ik zelfs geen vergelijking voor kan bedenken, en andere onwaarschijnlijke kleuren. Tweemaal word ik overmand door een alomvattend gevoel van blijdschap, wat zich vertaalt in een brede grijns die 10 minuten lang door niets of niemand van mijn gezicht kan geveegd worden. Maar na meer dan een dag in dit paradijs, is het toch een enorme opluchting om weer op asfalt te kunnen rollen; het voelt bijna als glijden.

 

Het weer lijkt eindelijk omgeslagen. (Als ik te veel over het weer schrijf, moet je me dat vergeven. We leven bijna 24 uur per dag buiten als je in een tent liggen meerekent, dus temperatuur en neerslag zijn vrij bepalende factoren voor ons.) Ik beken dat ik de laatste paar weken meermaals binnens- dan wel buitensmonds gevloekt hebop het zoveelste onweer, de zoveelste regenbui die over ons werd uitgekapt. Dat is nu gedaan. Het alternatief: een allesverschroeiende zon die ons om 7 u uit onze tent jaagt, en vervolgens 12 u lang te heet blijft om langer dan een paar minuten in te blijven staant. Het is ook nooit goed zeker? Gelukkig genereert fietsen wat verkoelende wind.